Een congres voor verwarde personen?

Ting, mailtje. Onderwerp: “congres verwarde personen”. Toch even achter het oor gekrabd. Lijkt me nog helemaal niet gemakkelijk: een congres voor verwarde personen op touw zetten. Hoe krijg je ze op de juiste plek? Hoe zorg je ervoor dat ze allemaal weten waarvoor ze komen? En wat is het doel van zo’n congres? Ontwarren?

Misverstand natuurlijk. Waar Nederland verwarde personen en psychiatrische patiënten steeds vaker de straat op jaagt, is het daar nu al zo onrustig, dat er van Rijkswege een aanjaagteam verwarde personen is samengesteld om verontruste niet-verwarde burgers en hun daardoor onzekere bestuurders een handje te helpen met ‘aanpakken’ (van verwarde personen).

Op de GGZ wordt intussen fijn bezuinigd, totdat verwarde personen kinderen gaan doodsteken of zichzelf op stadsplein in brand gaan steken. Dan zal er vast weer een intramuraal plekje voor sommigen van hen worden gevonden.

Verward? Dan ben je ook business!

De markt heeft de verwarde personen ook ontdekt. Niet zozeer als klant of als reclamevoertuig, maar als onderwerp van zorg, waaraan geld te verdienen is. Dat begint, waar echte, realistische manieren om deze minder geordende landgenoten te helpen, zoals gebruikelijk, bij de congresindustrie. Daar ziet men scherp dat al die onzekere bestuurders en de daardoor ook onzekere hulpverleners snakken naar een beetje houvast in de omgang met het wassende leger verwarden. Dat is wel € 299 (ex Btw) waard.

In ruil daarvoor draaft een bonte waaier aan ingewijden op, men neme, 4 oktober in, pak beet, Veenendaal, op. Natuurlijk: enkele deskundigen op het psychiatrisch vlak, maar uiteraard ook een ex-verwarde met een ‘rotsvast geloof in het herstellend vermogen van mensen’ (dat horen de bezuinigers op de zorg in Den Haag al te graag) die nu actief is ‘op het snijvlak van welzijn en psychiatrie’. Maar er zijn ook opgeleide mensen, die bijvoorbeeld ‘op het snijvlak van het sociale en het veiligheidsdomein’ werken. Opvallend veel snijvlakken, als het om verwarde personen gaat. En  natuurlijk een hoogleraar ethiek die deze commerciële ‘aanpak’ een vleugje positieve moraal mag meegeven.

Fijn toch, dat je voor niet meer dan € 299 onder meer leert: “Hoe zorg je ervoor dat het samenleven in de wijk niet alleen op een prettige wijze verloopt?” Ja, er staat ‘niet’. Ik zou het wel weten: we jagen een paar verwarde personen aan om zich in de wijk te begeven. Interessant experiment.

Al met al is het toch, laten we het vriendelijk omschrijven, verwarrend dat in welvarend Nederland we eerst mensen met behoorlijke stoornissen middenin de samenleving droppen, waar ze zoveel onrust teweegbrengen, dat ze business worden. Tsja, zo werkt marktwerking in de zorg…. Maar of we daar trots op moeten wezen?

 

 

Prijsvraag DroomBreda! markeert start Stadslab – dus kom met ideeën!

Ja, dit is een oproep:

img_1844Volk van Breda, dit is je kans om een droom die je misschien al lang had, werkelijkheid te zien worden. Ga naar de website DroomBreda! en deel jouw idee voor de invulling van een lege plek met de stad. Doe mee aan deze prijsvraag! Wie weet is jouw bijdrage een winnaar en krijg je de hulp van Stadslab Breda om die ook daadwerkelijk te realiseren.

Niet alleen Koepel

Breda en de dorpen binnen de gemeentegrens tellen talrijke lege plekken of leegstaande gebouwen. Niet alleen De Koepel vraagt om een nieuwe bestemming, zo is er nog een heel rijtje panden waare wat mee kan. De rechtbank komt vrij, net als op den duur het gebouw van de Belastingdienst in Breda (al is de gemeente nog met het COA in discussie over dheksenwiel-leegstande vraag of daar de komende jaren asielzoekers gehuisvest worden). Maar er staan ook veel bedrijfspanden, andere kantoren  leeg. En, onder meer omdat ons koopgedrag is veranderd, staan er ook veel winkels leeg,  bijvoorbeeld in het winkelcentrum Heksenwiel.

Datzelfde geldt voor braakliggend terrein.  img_1242Natuurlijk: iedereen kent het CSM-terrein, waar tot tuim tien jaar geleden de jaarlijkse bietencampagne zorgde voor een typisch Breda’s aroma in de stad.

Stadslab Breda

Stadslab Breda is een omvangrijk netwerk van deskundigen op velerlei terrein, met een accent op bouw, vastgoed, ontwerp en energie(-transitie). Dit netwerk helpt Bredanaars hun ideeën zo te verstevigen dat ze een grotere kans op realisatie maken.

 

 

Ook economen zeggen het: laat vluchteling eerder meedoen

De uitgave die ruim honderd jaar geleden begon als weekblad van het Nederlands Economisch Instituut wijdt er een geheel nummer aan: vluchtelingen. Zowat alle beetje relevant adviesorganen hebben hun mensen stukjes laten schrijven.

De WRR (de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) doet mee op de achtergrond met een belangrijke publicatie: Geen tijd te verliezen[1], waarin de Rotterdamse hoogleraar sociologie Godfried Engbersen en enkele collega’s – onder wie enkele van het WODC, het wetenschappelijk instituut van het ministerie van Veiligheid en Justitie – duidelijk maken dat kabinetten moeten ophouden met asielzoekers gedurende lange tijd buiten te sluiten, maar dat deze juist zo snel mogelijk zouden moeten integreren. Hoe langer je wacht met de taal leren, vrijwilligerswerk toestaan, op zoek gaan naar kwaliteiten en eventueel aanvullende scholing, hoe meer problemen er ontstaan.

Kosten opvang

Er ontstaan niet alleen de vraagstukken die mensen aan wie enig perspectief wordt ontzegd nu eenmaal aanvliegen, ook, en dat spreek economen natuurlijk aan, de kosten van vluchtelingenopvang worden hoger.

Dus figuren als VVD-fractievoorzitter H. Zijlstra, S. v. H. Buma en D. Samsom, die kiezers niet het eerlijke verhaal durven te vertellen dat we zeer waarschijnlijk aan het begin van een wereldwijde herverdeling van welvaart staan, en dat dit ook enige rechtvaardigheid in zich bergt, moeten werk maken van eerder helpen integreren van migranten. Al tijdens de asielprocedure moet daarvoor ruimte komen.

Onbewezen kullekoek

De boodschap is eigenlijk tamelijk eenvoudig: op korte termijn kost vluchtelingenopvang geld, maar als een samenleving nieuwkomers kansen biedt (en daar geen jaren mee wacht, omdat sommige populisten onder onze politici volslagen onbewezen kullekoek uitslaan over ‘aanzuigende werking’, of werkgevers nieuwe Nederlanders stelselmatig discrimineren, zoals ze gewoon zijn te doen met vooral allochtone jongeren), is er zelfs op korte termijn een piepklein beetje extra economische groei mogelijk.

Hoe dat op lange termijn zit, daarover laten de hooggeleerden zich in ESB liever niet uit. Voorspellen is al lastig, dat hebben ze tijdens de crisis geleerd, en al helemaal waar het de toekomst betreft.

Zo kunnen ook andere fabels naar het rijk waar ze thuishoren. Huizen dalen niet in waarde als er een AZC in de buurt komt. En onze verzorgingsstaat (of wat daarvan over is) kan We wisten al: Misdaad en overlast stijgen niet noemenswaard. Ja, de overlast van sommige idioten die biggen in bomen hangen, die overlast neemt toe. Dergelijke types gaan tot dat soort acties over, wellicht omdat ze een goed gesprek niet aan kunnen, omdat ze het Nederlands nog minder machtig dan de mensen die bomtapijten en andere terreur proberen te ontgaan. Ook zij verdienen hulp en wellicht een inburgeringscursus.

Arbeidsmarkt

Er zit veel lezenswaardigs in deze ESB. Onder meer deze tip: vluchtelingen worden nu ponds-pondsgewijs over gemeenten verdeeld, al naar gelang het inwonertal van gemeenten. Dat is misschien minder rechtvaardig dan het lijkt. De regionale arbeidsmarkt zou moeten meewegen: verdringing doet zich voor, vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het is niet slim om in streken met nu al hoge werkloosheid in die categorie problemen te vergroten door werkzoekende vluchtelingen daarheen te sturen.

 

[1] Engbersen, G. et al. (2015). Geen tijd te verliezen: van opvang naar integratie van asielmigranten. Den Haag. WRR.

Laat Prinsenbeek zelf (mee-)beslissen over huisvesting vergunninghouders

In Prinsenbeek was er in het gebouw van de Scouting, genoemd naar de katholieke vrijdenker (en heilige) Thomas More, een paar weken terug een ’kringgesprek’ over een lastig onderwerp: de huisvesting van twaalf vergunninghouders, allen alleenstaande mannen, in een blokje van drie huizen van woningvereniging Laurentius aan de plaatselijke Eglantier.

Rond dat blokje aan het de rand van het dorp wonen heel wat jonge gezinnen en een aantal (veelal alleenstaande) ouderen. De omgeving maakt zich grote zorgen over het dezer dagen al bezegelde voornemen van Laurentius en de gemeente om de mannen, acht uit Syrië en vier uit Eritrea, te verwelkomen. Ze vrezen dat er ‘doorgangshuizen’ ontstaan met mensen die de hele dag niets te doen hebben. Ze zijn ook bang dat de nieuwe bewoners, laten we zeggen, niet alle normen en waarden zullen hanteren die in Nederland gebruikelijk zijn.

Prinsenbeek, sinds 1997 onderdeel van de gemeente Breda, is een zeer vriendelijk dorp, met beschaafde inwoners. Ze zijn ook niet tegen de opvang van vluchtelingen. Ze willen geen alleenstaande mannen, maar gezinnen. Men verwacht dat die beter ‘integreren’ in de buurt. Ze zijn ook boos, want ze voelen zich overvallen door het voornemen van de corporatie, dat hen per brief werd meegedeeld. Formeel kunnen ze bezwaar maken tegen de door de gemeente afgegeven vergunning om in de huizen kamerverhuur mogelijk te maken.

Extra druk op huurwoningen

Bestuurders zien zich anno 2016 geconfronteerd met complexe opgaven. Huisvesting van grote groepen nieuwe Nederlanders geeft extra druk op een toch al krappe markt voor goedkope huurwoningen. Die markt is krap als gevolg van Rijksbeleid en plaatselijk beleid om de sociale voorraad te beperken. De investeringscapaciteit van corporaties is daarbij ook ingesnoerd door heffingen van Rijk.

Behalve om schaarste gaat het om leefbaarheid en veiligheid. Omwonenden zijn bang dat die in het gedrang komen, wanneer vreemde culturen zich in dorp of wijk vestigen. Dergelijke voornemens leveren soms heftige confrontaties op met bange omwonenden, maar soms ook hilarische onzin van het kaliber ‘gut, die vluchtelingen hebben mobieltjes’, alsof Syriërs en Irakezen rechtstreeks vanuit de prehistorie in Nederland landen. In Prinsenbeek ging het er zeer netjes aan toe.

Lastige vragen

Lastige vragen dringen zich niettemin op. Strikt formeel wijst de woningvereniging haar huizen aan woningzoekenden toe. Dat gebeurt niet met inspraak uit de buurt. Er zijn wel regels. Zo mag de vereniging de goedkoopste huurwoningen alleen toewijzen aan mensen met een heel smalle beurs. De woningen aan de Eglantier zijn echter fors duurder dan de liberalisatiegrens van ongeveer 710 euro per maand. Een gezin van vergunninghouders met een uitkering komt er dus in beginsel niet voor in aanmerking. Vandaar ook de oplossing van kamerverhuur.

Het Rijk bepaalt, naar rato van het aantal inwoners van een gemeente, hoeveel statushouders elke gemeente verplicht elk jaar heeft te huisvesten. Voor Breda zijn dat er in de eerste helft dit jaar 262 (214 plus 48 van vorig jaar). Voor het hele jaar rekent de gemeente op tussen de vier- en vijfhonderd. Lastig is dat de gemeente niet alleen gezinnen ‘in de aanbieding‘ heeft, maar vooral veel alleenstaande mannen. Ook die hebben recht op onderdak.

‘Ondemocratisch’

Buurtbewoners vinden de gang van zaken ‘ondemocratisch’. Ze bedoelen daarmee twee dingen: ze hadden eerder en beter geïnformeerd en gehoord willen worden en ze willen ook invloed op het besluit. Ze zijn van mening: democratie anno 2016 is meer dan ééns in de vier jaar naar de stembus sjouwen.

Hebben ze een punt? Nee en ja. Huisvesting van vergunninghouders – vluchtelingen dus met een legale verblijfstitel –  wordt lastig, wanneer ‘volksgevoel’ gaat bepalen of dat wel of niet, en zo ja voor wie dan precies, gewenst is. Hier kan de representatieve democratie (gemeenteraad en college van B en W) niet veel anders doen dan haar werk: besturen, beslissen.

Toch kan het proces naar zo’n besluit anders en beter. Corporaties en gemeentebesturen zouden zoetjesaan kunnen weten dat ze omwonenden veel eerder en beter in dit proces moeten betrekken. Dat wil zeggen: voornemens vroegtijdig bekend maken, het gesprek aangaan met de betrokken mensen, informatie en kennis delen (in twee richtingen), niet in de laatste plaats goede informatie over de beoogde medebewoners, en waar mogelijk de keuzen zo omlijsten dat er zo min mogelijk ‘ruis’ en veeleer draagvlak ontstaat. Ja, dat kost meer tijd van bestuurders en hun staven. En ja, het geeft meer ’gedoe’.

Dat ‘gedoe’ zou ook moeten beginnen met een stadsbreed gesprek over de opvang van asielzoekers en vergunninghouders. Breda krijgt er dezer jaren duizenden over de vloer, voor een groot deel als asielzoekers. Laten de ‘zittende’ Bredanaars zich ervan bewust zijn dat ze Syrische buren krijgen (met mobieltjes) en dat deze mensen een plek en kansen verdienen in de Bredase samenleving. Zorg voor kennismaking met de nieuwe buren. Kortom: investeer in aansluiting en integratie.

Dit alles wil uiteraard niet zeggen dat omwonenden altijd hun zin krijgen. In tegendeel: burgemeester Noordanus van Tilburg heeft gelijk. We hebben deze mensen in nood gewoon op te vangen, linksom of rechtsom. Besturen is uiteindelijk knopen doorhakken om vraagstukken op te lossen.

Verantwoordelijkheid nemen?

Hoe maken we dit proces democratischer? Als bewoners van dorpen, wijken of stadsdelen echt invloed willen, moeten ze ook niet voor verantwoordelijkheid terugdeinzen.

Prinsenbeek zou zomaar een dorp kunnen zijn, waar mensen zo’n verantwoordelijkheid durven oppakken. Het is een hechte gemeenschap, wel wat besloten, maar zeer actief, ook op sociaal gebied.

Vandaar deze gedachte. Laat Prinsenbeek zelf bepalen hoe daar vergunninghouders over het dorp worden verdeeld. Natuurlijk passen hier kaders en een tijdslimiet. Een voorbeeldredenering:

Prinsenbeek pakt haar deel van de Bredase opgave, volgens dezelfde rekensom die het rijk voor gemeenten hanteert. Dat wil zeggen: 6,35 procent (het aandeel van Prinsenbeek in de totale Bredase bevolking) van alle te huisvesten vergunninghouders krijgt jaarlijks een woning (of een gedeelde woning) in Prinsenbeek. Uitgaande van een gemeentelijke opgaaf van ongeveer 500 voor 2016 zijn dat er, afgerond, dit jaar 32. Van dat aantal is hetzelfde percentage gezin of (tijdelijk) alleenstaande man als dat voor de gehele gemeente geldt. Dus  (uitgaande van de verhoudingscijfers van het COA): stel dat er 400 alleenstaanden (van wie twee-derde mannen) zijn en 100 personen gemiddeld met vieren in gezinsverband leven, dan komen er 32 personen naar Prinsenbeek: 24 alleenstaande mannen en vrouwen en twee gezinnen van vier personen.

Hoe richten we dan de dorpsdemocratie in? De digitale wereld maakt het mogelijk (wellicht met gebruikmaking van DigiD) de Bekenaren te laten meestemmen over twee principes: het dorp neemt de verantwoordelijkheid voor de huisvesting en integratie in 2016 van 32 vergunninghouders (gezinnen én alleenstaande mannen) en er is een gezelschap sleutelfiguren uit het dorp, wellicht de dorpsraad, mogelijk aangevuld met anderen, die als uitvoeringsorgaan samen met corporaties, gemeente en andere betrokken instellingen dit vraagstuk oplost. Zolang dit proces loopt komen er twaalf mannen in de woningen aan de Eglantier. Die staan immers binnenkort ‘voor de deur’. Als het proces tot betere oplossingen leidt, kan die situatie wellicht veranderen.

Experiment

Dit experiment, dit leerproces geldt voor één jaar, 2016. Er is dus ook tempo vereist.

Natuurlijk vraagt deze gedachte preciezere uitwerking. Haken en ogen te over, om van wetten, regels en praktische bezwaren maar te zwijgen. En: er worden reële oplossingen gevraagd.   Vergunninghouders huisvesten in varkensstallen, doen we niet.

De huidige coalitie n Breda zegt in het coalitieakkoord Focus op Vooruitgang: “Bewoners en ondernemers, al dan niet in georganiseerd verband, nemen zelf initiatieven om zaken op te lossen of nieuwe dingen tot stand te brengen.”Met BredaBegroot en BredaDoet worden al stapjes in die richting gezet.

Ook in deze complexe materie bewoners ‘zaken zelf laten oplossen’? Dat zou interessant zijn en zeker van bestuurlijk lef getuigen.

Breda en Prinsenbeek zouden hier, op een gevoelig onderwerp, een grote sprong voorwaarts kunnen maken in de ontwikkeling van nieuwe vormen van besturen, waarbij dorps- en wijkbewoners serieuzer worden genomen dan wellicht ooit tevoren.

Dat schept aan beide zijden verplichtingen, maar dat hoeft anno 2016, om zestiende eeuwer Thomas More tenslotte aan te halen, geen ‘utopische’ gedachte te zijn. More beschreef in zijn beroemde vertelling ‘Utopia’ hoe de bewoners van dat eiland bezit afzworen en zich vooral op de ‘publieke zaak’, het gemeenschappelijke belang, richtten. Bruikbare lessen?

Henk Schol is onderzoeker en adviseur in complexe bestuurlijke vraagstukken. Reacties van harte welkom, ook op henkschol@kpnmail.nl.

 

BIBOB, VOG en wat die niet kosten…..

Interessant kluifje voor gemeentelijke juristen, de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch dat gemeenten geen leges in rekening mogen brengen voor onderzoek in het kader van de Wet BIBOB.

Volgens het hof is geen sprake van de levering van een dienst door de gemeente en die levering is nu juist de grondslag voor de heffing van leges. In tegendeel: een BIBOB-onderzoek naar de antecedenten van veelal ondernemers in een aantal ’risicobranches’ en de eventuele risico’s van crimineel gedrag in de toekomst, is een van de kernen van de uitoefening van haar publieke taak door de gemeente inzake de leefbaarheid en de veiligheid. Anders gezegd: daar betalen we al (belasting) voor.

Uitwassen en witwassen

De wet BIBOB staat voor: Bevordering Integriteitsbeoordeling door het Openbaar Bestuur en is één van de bestuurlijke middelen van de overheid in de strijd tegen de (georganiseerde, ondermijnende) criminaliteit. Als de onderzoekers hun werk goed doen, dan kunnen ze voorkomen dat met misdaad verdiend geld in de bovenwereld wordt geïnvesteerd. Er is wel al een tijdje discussie over de effectiviteit van deze wet en de bureaucratische uitwassen van dit wapen tegen witwassen.

De uitspraak van het hof heeft misschien een ander effect. Heel veel werknemers in de publieke sector en aanverwant meer of minder gesubsidieerde instellingen hebben tegenwoordig een VOG nodig, een Verklaring Omtrent Gedrag. Daaruit moet blijken dat ze, althans door de justitiële bril bezien, brandschoon zijn.

Baaltjes meel

Zo’n verklaring hebben die mensen soms meer dan eens per jaar nodig, temeer als ze van baan veranderen. En we weten dat moderne, vooral jonge werknemers, als baaltjes meel tussen bedrijven en instellingen heen en weer worden gesmeten.  De nagenoeg volautomatisch geproduceerde VOG kost algauw een paar tientjes. Het ministerie van Justitie incasseert in 2015 (volgens zijn begroting) ruim 13 miljoen euro voor bijna 600.000 van deze verklaringen. Geheel afgezien van de bijdrage aan de veiligheid die deze verklaring zou moeten geven, is dat makkelijk verdiend.

Heel veel werknemers krijgen die kosten niet vergoed, terwijl de instelling wordt verplicht deze VOG te eisen. Hier dient zich tenminste een majeur publiek belang aan, naast het privé belang van de aanvrager. Maar hoeveel anders is dit dan bij de horeca-ondernemer die klaarblijkelijk terecht de legesnota van de gemeente bestrijdt? Ik zie hier wel een interessant kluifje voor juristen in.

Voor de details van de uitspraak: Hof Den Bosch over BIBOB

Het verschil tussen Bol en Bruyn……

Ja, er is meer dan één verschil tussen bol.com en Bruynzeel. Bol.com verkoopt boeken en nog een heleboel andere dingen, maar geen keukens. Bruynzeel verkoopt wel keukens. Bol.com doet alles via internet, Bruynzeel heeft winkels. Daar bevinden zich mannen (en vrouwen) die deze keukens moeten verkopen. Die mannen babbelen honderduit, maar vertellen niet alles. Om alles te weten over Bruynzeel keukens moet je heel wat kleine lettertjes doorploegen.
Dan lees je bijvoorbeeld dat je op hun kunststof keukenbladen geen hete pannen mag zetten. Ja, keukenbladen! U weet wel, aanrechtbladen waar je kooktoestel is ingebouwd en je oven onder zit. Die kunnen niet tegen hitte, zo leren, als je er eenmaal achter bent dat ze daar niet tegen kunnen, die kleine lettertjes.
Dus Bruynzeel verkoopt keukenbladen, voor keukens, waar wordt gekookt, waar sprake is van hete pannen en ovenschalen, die niet tegen hitte kunnen. Daar heb je dan blijkbaar weer allerhande onderzetters voor nodig. Handig hè! Die mannen vertellen je dat niet, daar moet je achter zien te komen, door al die kleine lettertjes te lezen.
Dus als je voor duizenden euri een keuken bij Bruynzeel hebt gekocht en er blijkt een blaasje in je aanrechtblad te zijn ontstaan, dan ben jij fout. Had je de kleine lettertjes maar moeten lezen. Want de mannen van Bruynzeel verkopen keukens. En dus ook aanrechtbladen. Maar ze vertellen je er niet bij dat die aanrechtbladen niet tegen hitte kunnen. Daar kom je wel achter. Maar te laat. Want die kleine lettertjes die zie je pas, nadat je de koop hebt gesloten. Dan pas krijg een ordner mee, vol met kleine lettertjes, die je natuurlijk pas gaat bestuderen, wanneer je de keuken hebt.
En als je dan belt naar Bruynzeel, dat er een blaasje in je aanrechtblad zit, tsja, dan maak je geen schijn van kans. Dat moet een hete pan zijn geweest, dat weten ze al meteen. Had je dus de kleine lettertjes maar moeten lezen! Nee, meneer, dat is uw fout. Wij van Bruynzeel gaan u daarbij echt niet helpen. Vervelend, hoor, maar ja, had u de kleine lettertjes maar moeten lezen. Zoek het uit, klant!
Bol.com heeft geen winkels. Ook geen mannen met halve verhalen. Maar wel service. Zonder gedoe. Als je daar in de aanbieding voor honderd euro een servies koopt en er er blijkt een bord niet bestand tegen de hitte van een overgerecht, pats! barst!, dan stuur je een mail, dan krijg je een sticker terug, in koeienletters, om de boel mee te retourneren. Het hele servies gaat gratis en voor niks terug en er komt een nieuw servies. Hè shit! Nieuw servies uitgepakt, hoek uit een bord. Geen enkel probleem, gratis terug sturen, en nu geld terug. Nimmer gezeur bij bol.com. Daar zitten vast ook mannen (en vrouwen) die dat teruggestuurde servies ontvangen. Vinden ze vast ook niet leuk. Maar ze zaniken niet, sturen geen expert om te onderzoeken of niet toevallig de hond een hoek uit het bord heeft gehapt (quod non). Ze vertrouwen je en ze helpen je. Je voelt je als klant daar koning.
Ben wel benieuwd wie het langer volhoudt. Bol of Bruyn? Dit is geen wetenschappelijk onderzoek, maar ik heb wel vermoedens…..

Af en toe een ‘feestje’

Zowel voor de revitalisering van hun binnenstad, als voor de ontwikkeling én realisatie van nieuwe woon- en zorgconcepten, om duurzaamheid te bevorderen, vul de voorbeelden maar aan, zoeken gemeenten samenwerking met relevante partners. Daarbij gaat het om ideeën en inzichten en vooral ook om concrete inzet en investeringen.

Dergelijke partnerschappen passen goed in de moderne opvattingen van openbaar bestuur, waarbij de overheid niet langer optreedt als Albedil, maar veeleer uitdaagt, stimuleert, motiveert en faciliteert. De concrete vertaling daarvan is een lastig verhaal. Want daarbij gaat het niet alleen om de inzet van het bestuur, college van B en W voorop, maar ook om de houding en de rekbaarheid van het gehele bestuursapparaat.

Vertrouwen

BewindhebbersSLIDE1-1000x400

Vergaderen doen we al heel lang en vaak: hier de VOC-bewindhebbers van Hoorn op een schilderij van Johan de Baan uit 1682 (te zien in het Westfries Museum, sowieso een aanrader)

Een cruciaal element in de nieuwe verhoudingen, willen deze vrucht dragen, is onderling vertrouwen. Dat betekent dat zowel het bestuur als de betrokken partners – veelal marktpartijen, maar ook semi-overheidsinstellingen in zorg, welzijn en huisvesting – bereid is risico te nemen en te dragen in deze relatie.
Eerste stap op weg naar dat vertrouwen is elkaar kennen, elkaar goed kennen, en vanuit deze basis de beletselen voor herstel van in de afgelopen jaren soms geschonden vertrouwen weg te nemen. Er heeft zich niet alleen een financieel-economische crisis voorgedaan waarin de financiële sector (accountancy incluis) een rol heeft gespeeld, met name ook in de bouwsector zijn zaken gepasseerd die de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. ‘De markt’ is niet altijd de panacee gebleken voor al uw bestuurlijke beperkingen…

Elkaar goed kennen betekent elkaar ontmoeten, elkaar met regelmaat ontmoeten, en dan niet alleen aan de vergadertafel. Vooral informele ontmoetingen dragen daaraan bij. En dat ‘elkaar’ zijn aan gemeentezijde niet alleen bestuurders, maar juist ook ambtenaren van alle disciplines. Het is een heidens karwei een traditioneel naar binnen gerichte cultuur ‘open te trekken’, dit type aanpak kan daaraan een bijdrage leveren.

Relatieplan

Als het bovenstaande klopt, past dus bij de ontwikkeling van een binnenstadsplan of een woonagenda een relatieplan. De aanzet daarvoor zou heel wel van de gemeente kunnen komen. Die is immers de partner die articuleert (en dus moet waarmaken) dat ze ‘het’ samen met derden wil doen.
Zo’n relatieplan loopt parallel aan de desbetreffende agenda, maar staat er ook los van. Voorop staat elkaar informeren, elkaar aangelijnd houden: communicatie dus. Dat gebeurt deels via de formele routes, en is ook cruciaal. Dus er wordt geen stap in de agenda gezet, zonder de partners te informeren of hen daar ook bij te betrekken. Relevante ontwikkelingen, ook in de externe omgeving, en kennis worden gedeeld op een wijze die voortdurend uitdaagt, stimuleert, motiveert en faciliteert.

‘Leuk’ mag

Informele contacten zijn minstens zo belangrijk. Die momenten kunnen worden gekoppeld aan formele, sterker: die horen bij elkaar. Tussendoor zijn er dus informele ontmoetingen.Die mogen best inhoud hebben (de directie moet ook een goed excuus hebben om tussen de middag een paar uur weg te blijven van de bank…) door elkaar ook (met kennis uit wellicht heel andere hoeken) te verrijken, maar ze hebben op de eerste plaats ontmoeten als doel. Ze mogen dus ook ‘leuk’ zijn. Maar wel goed kijken wat deze partners interessant of ‘leuk’ vinden. Beter nog: ook samen organiseren.

Feestje met de partners op z'n tijd... waarom niet. Hier laat Pieter Aertsen zien hoe het kan: de Eierdans, 1551....

Feestje met de partners op z’n tijd… waarom niet. Hier laat Pieter Aertsen zien hoe het kan: de Eierdans, 1551….

Om dergelijke ontmoetingen buiten het direct formele proces aantrekkelijk te maken, wordt parallel aan de ontwikkeling en uitrol van de beleidsagenda, een relatieprogramma opgetuigd. Dat is er om ‘de boel bij elkaar te houden’, om de partners voor langere tijd aan elkaar te verbinden. Het centrale idee zou zo kunnen zijn: als we samen de kar trekken, doen we ook elk kwartaal iets interessants of aantrekkelijks met elkaar.

Nu weet ik ook wel: het is al een heidens karwei voor overheidsorganisaties om partners een beetje bijtijds te informeren over relevante dingen. En dan moet dit er nog bij? Ik voorspel je: gemeenten, instanties die kans zien hun partners goed vast te houden en die ook onderling weten te verbinden, hebben op den duur meer succes in de realisatie van maatschappelijke doelen. Wedden?!!